Home » Boekrecensies, Keuze van de redactie » De ondraaglijke lichtgelovigheid van de mens

Zo luidt de prachtige titel van het eerste hoofdstuk van het boek van twee Gentse filosofen over kritisch denken. ‘Kritisch denken is een capaciteit die we moeten ontwikkelen en onderhouden.’ (p. 8). Want: ‘Ons brein is een biologische, informatie verwerkende machine die, door middel van automatische en onbewuste statistische analyses, op zoek gaat naar betekenis, orde en patronen in de stimuli waarmee het voortdurend wordt gebombardeerd. Door de bank genomen lukt dat vrij aardig, tenminste voor wat vanuit evolutionair perspectief belangrijk voor ons is.’ (p. 45). Mensen schatten hun kritisch denkvermogen te hoog in. Er zullen weinig mensen zijn die ruiterlijk toegeven dat hun kritische denkvermogens nogal eens te kort schieten. Toch zijn er mensen die in astrologie, kabouters, homeopathie of god geloven, of die menen dat Heidegger een diepzinnig denker is. Ergens is er iets misgegaan met de kennisverwerking. Van filosoof Johan Braeckman verscheen in 2010 een collegeserie op audio-cd over kritisch denken, uitgegeven door Home Academy Publishers. Nu is er dan dit fraai uitgegeven en levendig geïllustreerde handleiding over kritisch denken, geschreven samen met een andere Gentse (wetenschaps)filosoof, Maarten Boudry. De auteurs behandelen in hun werk een flink aantal opvattingen die mensen koesteren, maar waarvoor op z’n minst onvoldoende bewijs is. Aan de hand van vele concrete voorbeelden laten de auteurs zien waar het mis gaat. Met behulp van een keur aan resultaten uit verschillende wetenschapsgebieden, zoals de psychologie, sociologie, antropologie, biologie, en wetenschappen, wetenschapsgeschiedenis betogen de auteurs dat opvattingen die mensen koesteren lang niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid. Deze inleiding in kritisch denken heeft drie componenten: 1) analyses van tal van casussen (ontmaskeringen), 2) een overzicht van valkuilen van het denken en 3) een handleiding van hoe je wel tot betrouwbare kennis kan komen. Het bestuderen van de valkuilen en fouten van het denken is belangrijk om het kritisch denkvermogen te ontwikkelen. De auteurs citeren Frank Cioffi die betoogt dat: ‘Elke succesvolle pseudowetenschap is een intellectueel hoogstandje. Het bestuderen ervan is even leerzaam en waardevol als de studie van echte wetenschap.’ (p. 239)

De titel De ongelovige Thomas heeft een punt verwijst naar het evangelie van Johannes over de apostel Thomas die twee andere apostelen niet gelooft die beweren dat zij Jezus hebben ontmoet die is opgestaan uit zijn graf na zijn executie. Dan komt Thomas zelf de man tegen die zegt Jezus te zijn. Thomas gelooft het nog steeds niet en wil de wonden zien. Pas als hij met eigen ogen de wonden heeft gezien, gelooft Thomas dat Jezus uit de dood verrezen voor hem staat. In de christelijke traditie wordt met dedain gesproken over de ongelovige Thomas, omdat hij de gelovige apostelen en Jezus niet op hun woord geloofde. Braeckman en Boudry betogen echter dat Thomas een, rudimentair, kritisch denker was. Wanneer Thomas geconfronteerd wordt met een zeer implausibel relaas over iemand die uit de dood verrezen is, wil hij eerst bewijs zien. De vraag rest natuurlijk wat het zogenaamde bewijs bewijst: of de man met schijnbare wonden, inderdaad Jezus is. Er blijven vragen te over, maar Thomas neemt genoegen met dit bewijs. Als Thomas het boek van de Gentse filosofen had gelezen, dan had hij zijn geloof nog even opgeschort. En wellicht als alle apostelen het boek hadden bestudeerd, er geen christendom geweest was. Iedereen weet dat een boek als dit gelovigen niet vaak van hun geloof af zal brengen. Er is tragischerwijs geen gemakkelijk vaccin tegen lichtgelovigheid. Braeckman en Boudry onderzoeken waarom het zo is dat mensen aan opvattingen vasthouden, zonder goede redenen, of zelfs wanneer de opvattingen flagrant in strijd zijn met de werkelijkheid.

De auteurs besteden veel aandacht aan allerlei pseudowetenschappen, zoals het geloof in Big Foot, Nessie, complottheorieën (met name die over 9/11), en aan postmodernisme in de filosofie (en in het onderwijs), dat heeft geleid tot de wijdverbreide opvatting dat de werkelijkheid een sociale constructie is, en dat wetenschap geen bijzondere status heeft als kennisverwervingsmethode. De auteurs halen regelmatig voorbeelden uit religie aan, zoals de pseudowetenschap van creationisme en intelligent design, maar vermijden de essentie van religiekritiek, namelijk het bestaan van god/goden. Atheïsme wordt in hun boek dan ook niet expliciet behandeld. Toch is atheïsme de conclusie van kritisch denken. Een atheïst hoeft niet aan te tonen dat god/kabouters/Nessie niet bestaat; de bewijslast ligt bij degene die een existentiële claim maakt. Voor een existentiële claim is empirisch bewijs nodig. De kritisch denker weegt dit bewijs en zolang het bewijs niet sterk genoeg en voldoende is, schort zij haar geloof in de geclaimde entiteit op. Een atheïst is derhalve niet iemand die claimt dat god niet bestaat, maar iemand die geen voldoende aanleiding ziet om het bestaan van god aan te nemen. Dit volgt allemaal uit de argumentatie van Braeckman en Boudry, die schrijven: ‘Tenzij voor alledaagse of triviale uitspraken, is het verstandig om een nieuwe opvatting niet te aanvaarden voordat we over voldoende bewijzen beschikken. Een dergelijke houding druist in tegen onze natuurlijke psychologische neiging en vergt daarom bewuste oefening.’ (p. 305). Zij laten echter dit hete hangijzer in het vuur liggen. Indirect is de religiekritiek er wel, zoals al blijkt uit de titel van het boek.

Er is meer dan alleen de tekst van het boek. Er is ook de website, www.ongelovigethomas.be, met daarop verzameld filmpjes, websites en links. Het is een goed idee om dit op een webpagina allemaal bij elkaar te zetten. Na het boek gelezen te hebben, zat ik nog een poos met veel plezier video’s te kijken. Zo staat er de link naar het beroemde ‘gorilla’ filmpje over selectieve waarneming, filosoof Bertrand Russell over religie, scepticus James Randi over allerlei pseudowetenschappen, etc.. Misschien dat satire een krachtig medicijn is tegen onzin, zoals de sketch over homeopathie van het Britse programma That Mitchell and Webb Look aangeeft.

Hoewel de auteurs enkele keren gewag maken van klimaatscepticisme besteden zij er geen aandacht aan. Dat is vreemd want juist klimaat- en milieuscepticisme zijn voorbeelden van waar er een grote en ernstige discrepantie is tussen consensus in de wetenschap enerzijds en het grote publiek anderzijds. De importantie van de kwestie van creationisme/ID versus evolutietheorie verbleekt in vergelijking met klimaatscepticisme. Immers, ook al gelooft de hele mensheid in creationisme, dan hoeft er niet noodzakelijk veel te veranderen in de wereld, maar als iedereen (of in ieder geval de beleidsmakers) meent dat er geen sprake is van door mensen veroorzaakte klimaatverandering die desastreuze gevolgen voor mens en milieu hebben, dan zal dat juist leiden tot die desastreuze gevolgen, want er worden dan geen maatregelen genomen om dit te voorkomen. John Blewitt, auteur van het handboek Understanding Sustainable Development (2009) plaatst klimaatscepticisme op een lijn met een pseudowetenschap: ‘It is as ridiculous to be a climate change denier as it is to believe the Earth is flat.’ We zitten met zijn allen op de Titanic die koerst op de ijsberg – als analogie op de antropogene ecologische crisis waarvan klimaatverandering helaas slechts één facet is – het is daarom van levensbelang om scepticisme over klimaatverandering en ecologische degradatie te kunnen weerleggen. Het is mijn hoop dat de mensen die het boek bestudeerd hebben de kennis en vaardigheden toepassen om klimaatscepticisme te doorzien.

Ik ben filosoof, maar toch ben ik sceptisch over het invoeren van filosofie in het basis- en middelbaar onderwijs. De reden hiervoor is dat de filosofie vol zit met de meest idiote onzin en gevaarlijke ideeën. In het hoofdstuk ‘Onzin voor gevorderden’ bespreken de auteurs een aantal postmoderne filosofen die eclatante nonsens uitventen die door een groot gedeelte van de academische goegemeente als zoete koek geslikt wordt. Ik denk nog met afschuw terug aan de tijd dat ik filosofie studeerde in Leiden en Utrecht en ik deze onzin kreeg voorgeschoteld als zijnde diepe wijsheden, zoals Heidegger, Benjamin en Adorno. Braeckman en Boudry verhalen van de zogenaamde Sokal-affaire waarbij de fysicus Alain Sokal erin slaagde een compleet onzin artikel, onder de titel ‘Transgressing the Boundaries: Towards Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’, in een academisch filosofisch tijdschrift te plaatsen. Sokal, in samenwerking met fysicus en wetenschapsfilosoof Jean Bricmont, werkte zijn ervaringen uit in het boek Intellectual Impostures (1998) waarin zij natuurkundige uitspraken van (Franstalige) postmoderne filosofen analyseerden en zo erachter kwamen dat het onzin was. Lacan, Kristeva, Irigaray, Baudrillard, Deleuze en Guatari bleken complete nonsens te beweren. De vraag dringt zich op in hoeverre je je in al de voorgenoemde en andere auteurs moet verdiepen om je een oordeel over hen te vormen. ‘We beschikken zelden over de nodige tijd en kennis om obscure auteurs en quasi ondoorgrondelijke teksten te bestuderen en op hun waarde te beoordelen. […] Nooit heeft een criticus volgens de ingewijden voldoende boeken gelezen om zich met kennis van zaken te kunnen uitlaten over hun theorie (of een criticus heeft net de verkeerde boeken gelezen, zelfs uit het oeuvre van de auteurs die hij bekritiseert!). […] Hoe meer iemand in een bepaalde theorie investeerde en hoe langer hij bereid was om zijn oordeel op te schorten, geduldig wachtend op de diepe inzichten die hem telkens ontglipten, hoe kleiner de kans dat hij op het einde van de rit zal toegeven van een kale reis te zijn teruggekomen. […] Hoeveel tijd en moeite moet men aan een tekst besteden om te weten of het de moeite loont om er verder in te investeren, dan wel of we er beter mee stoppen, omdat het toch niets zinnigs oplevert?’ (p. 284) ‘Er gaat een bedwelmende aantrekkingskracht uit van een esoterisch-filosofisch gedachtegoed dat zich in zulke dichte nevelen hult […]’ (p. 286). Aan esoterische filosofie valt meer te kluiven dan aan glasheldere (analytische) filosofie. De duistere filosofen genereren zodoende werk. Om terug te komen op het punt waar ik deze alinea mee begon: ik ben wel een voorstander van filosofie in het onderwijs als het gaat om het aanleren van kritisch denken, dus als bijvoorbeeld het boek van Braeckman en Boudry het handboek is. Geen Baudrillard en Bataille, maar Braeckman en Boudry.

Is het erg dat mensen in dingen geloven waarvan je kunt aantonen dat ze niet kloppen? Waarom moeten analytische filosofen die boel bederven? In zijn boek Breaking the Spell. Religion as a Natural Phenomenon, doet Daniel Dennett precies dat: als je weet hoe de goocheltruc werkt, is de lol eraf. Zo ook met religie en ander (bij)geloof: als je weet hoe het komt dat mensen geneigd zijn in dingen te geloven die niet bestaan, kun je er zelf niet meer in geloven. Het is zoals met het bestaan van Sinterklaas. Het leukst is het als je in Sinterklaas gelooft. Als je eenmaal weet hoe de vork in de steel zit en dat het berust op een complottheorie (wat complotdenkers toch enige munitie kan geven…), kun je niet besluiten om weer in Sinterklaas te gaan geloven. Toch is dat precies wat gelovigen doen (de auteurs spreken van ‘believers’): vasthouden aan hun geloof in weerwil van de feiten. Maar, is dat dan erg? Waarom laten we mensen niet gewoon geloven wat ze willen geloven? Waarom is waarheid belangrijk? De auteurs zijn hier niet expliciet over, maar hun eerste casus, over heksenverbranding, laat gelijk zien dat het geloof in hekserij tot veel onnodig leed kan lijden. Lang niet alle geloof is onschuldig – zoals ook de opvatting dat er geen sprake is van antropogene klimaatverandering. Een aspect dat onderbelicht blijft in het boek is dat kritisch denken niet alleen toegepast kan worden om de werkelijkheid te leren kennen en om onzin te kunnen ontmaskeren, ook kan en moet kritisch denken worden toegepast op het normatieve terrein van de ethiek en de politieke filosofie.

De Volkskrant van 14 oktober 2011 bericht over het ritueel doden van kinderen in Afrika door medicijnmannen om rijkdom te bewerkstelligen. Dit geloof getuigt van een schrijnend gebrek aan kritisch denken. Echter, stel dat het wel zou werken, dat het ritueel doden van kinderen het verwerven van rijkdom zou bewerkstelligen, dan nog is dit immoreel. Hieruit blijkt dat kritisch denken niet slechts tot het domein van kennis beperkt moet blijven, maar ook het morele domein moet beslaan.

Floris van den Berg

Dit boek lezen? Bestel het hier.

No related posts.